• Dutch grammar
    0%
  • 1 Dutch alphabet [0/2]
  • 2 Dutch pronunciation [0/2]
  • 3 Dutch sentence structure [0/12]
  • 4 Dutch articles (de, het, een) [0/2]
  • 5 Dutch nouns [0/8]
  • 6 Dutch pronouns [0/12]
  • 7 Dutch prepositions [0/9]
  • 8 Dutch adjectives [0/6]
  • 9 Dutch adverbs [0/16]
  • 10 Dutch verbs [0/27]
  • 10.1 Dutch infinitive (verbs with and without 'te') [0/2]
  • 10.2 Dutch regular verbs (weak verbs) [0/2]
  • 10.3 Dutch irregular verbs (strong verbs) [0/2]
  • 10.4 Dutch imperative (gebiedende wijs) [0/2]
  • 10.5 Dutch modal verbs [0/2]
  • 10.6 Dutch reflexive verbs [0/2]
  • 10.7 Dutch auxiliary verbs [0/2]
  • 10.8 Active and passive voice in Dutch [0/2]
  • 10.9 Separable and inseparable verbs in Dutch [0/2]
  • 10.10 Present participle in Dutch [0/2]
  • 10.11 Past participle in Dutch [0/3]
  • 10.12 Dutch subjunctive (aanvoegende wijs) [0/2]
  • 10.13 Dutch gerund [0/2]
  • 10.14 Dutch verb list
  • 11 Dutch verb conjugation and tenses [0/34]
  • Exercise to practice Dutch verb conjugation and tenses 1 (Score -/-)Free
  • Exercise to practice Dutch verb conjugation and tenses 2 (Score -/-)Free
  • 11.1 Dutch present simple (onvoltooid tegenwoordige tijd) [0/4]
  • 11.2 Dutch past simple (onvoltooid verleden tijd) [0/4]
  • 11.3 Dutch present perfect (voltooid tegenwoordige tijd) [0/4]
  • 11.4 Dutch past perfect (voltooid verleden tijd) [0/4]
  • 11.5 Dutch future simple [0/4]
  • 11.6 Dutch future perfect [0/4]
  • 11.7 Dutch conditional tense [0/4]
  • 11.8 Dutch conditional perfect [0/4]
  • Here you will find all conjugations of the verb moeten. 

    Conjugation of the verb moeten (to must) in Dutch 

    Present and past tense 

    Subject Present simple Past simple Present perfect Past perfect
    Ik (I) moet moest heb gemoeten had gemoeten
    Jij, u (You) moet moest hebt gemoeten had gemoeten
    Hij, zij, het (He, she, it) moet moest heeft gemoeten had gemoeten
    Wij (We) moeten moesten hebben gemoeten hadden gemoeten
    Jullie (You) moeten moesten hebben gemoeten hadden gemoeten
    Zij (They) moeten  moesten hebben gemoeten hadden gemoeten

    Study this lesson together with a teacher

    Studying on your own is not effective since nobody guides you and you do not receive any feedback. Ask help from one of our professional teachers!

    Get a free trial lesson!
    View teachers

    Future tense

    Subject Future simple Conditional tense Future perfect Conditional perfect
    Ik zal moeten zou moeten zal hebben gemoeten zou hebben gemoeten 
    Jij, u zult moeten zou moeten zult hebben gemoeten zou hebben gemoeten
    Hij, zij, het zal moeten zou moeten zal hebben gemoeten zou hebben gemoeten 
    Wij zullen moeten zouden moeten zullen hebben gemoeten zouden hebben gemoeten
    Jullie zullen moeten zouden moeten zullen hebben gemoeten zouden hebben gemoeten
    Zij zullen moeten zouden moeten zullen hebben gemoeten zouden hebben gemoeten

    Imperative

    Imperative Subject
    - Ik
    Moet Jij, u
    - Hij, zij, het
    - Wij
    Moet Jullie
    - Zij

    Infinitive

    Present tense Past tense
    moeten moesten

    Participles

    Present participle Past participle
    moetend gemoeten