• Nederlandse grammatica
    0%
  • 1 Nederlandse redekundige zinsontleding [0/28]
  • 2 Nederlandse lidwoorden [0/4]
  • 3 Nederlandse zelfstandige naamwoorden [0/9]
  • 4 Nederlandse voornaamwoorden [0/23]
  • 5 Nederlandse voorzetsels [0/9]
  • 6 Nederlandse bijvoeglijke naamwoorden [0/9]
  • 7 Nederlandse bijwoorden [0/16]
  • 8 Nederlandse voegwoorden [0/2]
  • 9 Nederlandse werkwoorden vervoegen [0/65]
  • 9.1 Tegenwoordige tijd [0/10]
  • 9.2 Verleden tijd [0/10]
  • 9.3 Toekomende tijd [0/18]
  • 9.4 Nederlandse hulpwerkwoorden [0/2]
  • 9.5 Nederlands zelfstandig werkwoord [0/2]
  • 9.6 Nederlandse koppelwerkwoorden [0/2]
  • 9.7 Nederlandse infinitief (werkwoorden met en zonder 'te') [0/2]
  • 9.8 Nederlandse zwakke werkwoorden [0/2]
  • 9.9 Nederlandse sterke werkwoorden [0/2]
  • 9.10 Nederlandse modale werkwoorden [0/2]
  • 9.11 Nederlandse gebiedende wijs [0/2]
  • 9.12 Nederlandse actief en passief [0/2]
  • 9.13 Nederlandse scheidbare en onscheidbare werkwoorden [0/2]
  • 9.14 Nederlands onvoltooid deelwoord [0/2]
  • 9.15 Nederlands voltooid deelwoord [0/3]
  • 9.16 Nederlandse aanvoegende wijs [0/2]
  • 9.17 Lijst van Nederlandse werkwoorden
  • 10 Nederlandse spellingsregels
  • Nederlandse modale werkwoorden

    Oefeningen

    1. Oefen de Nederlandse modale werkwoorden 1
    2. Oefen de Nederlandse modale werkwoorden 2

    Definitie en gebruik van de Nederlandse modale werkwoorden

    Nederlandse modale werkwoorden worden gebruikt om een bepaalde houding tegenover een ander werkwoord in de zin te beschrijven. Ze geven aan op wat voor manier een bepaald werkwoord wordt uitgevoerd. 

    Voorbeelden van modale werkwoorden en wanneer deze gebruikt worden:

    Situatie Modaal werkwoord Voorbeeld
    Noodzaak Moeten
    • Ik moet hem helpen. 
    • Hij moet zijn huiswerk maken.
    Waarschijnlijkheid Zullen
    • Hij zal wel te laat zijn. 
    • U zult op tijd komen. 
    Mogelijkheid Kunnen
    • Wij kunnen jullie niet horen. 
    • Zij kan goed zwemmen. 
    Wenselijkheid  Willen
    • Zij willen volgende week op vakantie. 
    • Zij wil leren lezen. 
    Geen verplichting Hoeven
    • Je hoeft het niet te doen.
    • U hoeft niet te bellen. 
    Toestemming hebben Mogen
    • Jij mag wel met ons mee. 
    • Jullie mogen daar niet naar toe. 

    De modale werkwoorden staan altijd aan het begin van de zin en de infinitief waar het werkwoord bijhoort staat aan het eind van de zin. 

    Vervoeging van de Nederlandse modale werkwoorden

    Onderwerp Moeten Zullen Kunnen Willen Hoeven Mogen
    Ik  moet zal kan wil hoef mag
    Jij, u  moet zult kunt wilt hoeft mag
    Hij, zij, het  moet zal kan wil hoeft mag
    Wij  moeten zullen kunnen willen hoeven mogen
    Jullie  moeten zullen kunnen willen hoeven mogen
    Zij  moeten zullen kunnen willen hoeven mogen

    Kijk of je de uitleg hebt begrepen door de onderstaande oefeningen te doen.