Exercise Dutch negation 2

Good luck!

Hij kon gister ____ slapen. (He was not able to sleep yesterday.)

Ik weet ____ wat ik later wil worden. (I do not know what I want to be when I am older.)

Dat is ____ paard, dat is een hond. (That is not a horse, that is a dog.)

Hij rijdt ____ met de auto naar zijn werk. (He does not drive by car to work.)

Zij heeft ____ tijd om naar de bioscoop te gaan. (She does not have time to go to the cinema.)

Jullie hebben ____ sleutels. (You do not have keys.)

Wij willen ____ afspraak maken bij de tandarts. (We do not want to make an appointment at the dentist.)

Mijn moeder praat ____ meer met haar. (My mother does not talk with her anymore.)

Ik heb ____ ervaring met het spelen van piano. (I do not have experience with playing piano.)

De leerlingen hoeven morgen ____ naar school te gaan. (The students do not have to go to school tomorrow.)

Level: 
A1
Trained skill: 
Reading
Writing