Exercise Dutch negation 1

Good luck!

Is dat jouw huis? - Dat is ____ mijn huis. (Is that your house? - (That is not my house.)

Ik heb ____ huiswerk vandaag. (I do not have homework today.)

Zij gaan ____ naar het feestje. (They do not go to the party.)

Ik heb ____ huisdieren. (I do not have pets.)

De trein komt ____ meer. (The train does not come anymore.)

De supermarkt had ____ vers fruit meer. (The supermarket did not have fresh fruit anymore.)

Zij studeren ____ in Utrecht. (They do not study in Utrecht.)

Zij heeft ____ geleerd voor de toets. (She did not study for the exam.)

Hij wilde ____ geld betalen voor de tickets. (He did not want to pay for the tickets.)

Ik heb daar ____ aan gedacht. (I had not thought of that.)

Level: 
A1
Trained skill: 
Reading
Writing