Choose the correct Dutch relative

Good luck!

De fiets ... ik gekocht heb. (The bike that I have bought.)

Daar is de straat, ... hij kwam. (There is the street from where he came.)

Het slechtste ... jou kan overkomen, is dat je de trein mist. (The worst thing that could have happened to you is that you miss the train.)

Zij beweerde een grote kamer te hebben, ... ook bleek toen ik bij haar thuis kwam. (She claimed to have a big room, which turned out to be true when I visited her house.)

Dat is het huis ... ik mijn hele leven gewoond heb. (That is the house where I lived my entire life.)

De jongen aan ... ik mijn ijsje gaf. (They boy to whom I gave my ice cream.)

Het huiswerk ... ik gemaakt heb is erg goed. (The homework I made is very good.)

Dat is de scooter, ... ik heb gereden. (That is the scooter on which I have driven.)

Level: 
A1
A2
Trained skill: 
Reading
Writing